|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
 |
|
Situationeel leiderschap |
 |
|
 |
|
|
|
De belangrijkste
taak van leiders is het beïnvloeden van anderen, om plannen
te realiseren. Soms gaat het om hun eigen plannen, soms om
de plannen van een groep. Eén van de bekendste modellen voor
leidinggeven is het situationeel leiderschap van Hersey en
Blanchard.
Het model heeft twee dimensies:
taakgericht en relatiegericht gedrag van de manager.
- Kenmerkend voor sturend of taakgericht leiderschap is
het accent op het einddoel en de uitvoering van taken:
éénrichting communicatie (ik zeg wat ik waar en wanneer
wil hebben en ik controleer dat). Deze stijl zal door veel
medewerkers als autoritair worden ervaren.
- Bij relatiegericht leiderschap ligt het accent op de
onderlinge verhouding. Deze meer coöperatieve of
participateve stijl kenmerkt zich door twéérichting
communicatie 'we moeten het samen doen' en het betrekken
van medewerkers bij de besluitvorming.
Hier ontstaan vier combinatiestijlen van
leidinggeven: |
|
 |
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
 |
|
De indeling is overigens vrijwel gelijk aan de The
Managerial Grid van Blake en Mouton (1978). De typering is
ook in bovenstaande figuur opgenomen.
S1 - I N S T R U E R
E N (opdragen)
- Deze stijl wordt ook aangeduid als
management by prescription. De manager geeft veel
gedetailleerde instructies: wat moet er gebeuren, hoe moet
het gebeuren en met welke kwaliteitseisen. De uitvoeren en
resultaten worden nauwlettend gecontroleerd. Deze stijl is
vooral taakgericht.
- Een valkuil is dat de manager
autoritair overkomt: als een baas of een leraar. Deze wijze
van leidinggeven werkt alleen als de opdrachten goed zijn te
structureren.
S2 - O V E R L E G G E N (overtuigen)
- Manager en medewerkers bespreken samen het wat en hoe van de
taak, waarbij de manager zelf uiteindelijk het hoe bepaalt
en de uitvoering nauwlettend bewaakt. De manager ondersteunt
de medewerker door verantwoordelijkheden te delen en door
veel vragen te stellen: actief luisteren, de ander
raadplegen en betrekken, complimenteren en stimuleren. Deze
stijl wordt ook wel aangeduid als resultaatgericht
management.
- Deze stijl wordt ineffectief bij manipuleren:
wel vragen naar de inbreng van de ander, maar er niets mee
doen. Een valkuil is dat de manager overkomt als
therapeut.
S3 - O N D E R S T E U N E N (coachen)
- Manager en medewerkers beslissen samen hoe het werk wordt
uitgevoerd. De manager helpt de medewerker op verzoek bij de
uitvoering. Hij geeft daarbij primair leiding door aandacht
te besteden aan de relatie en door het geven van erkenning.
Deze stijl wordt ook wel organisch management genoemd.
- Een valkuil is dat de manager de medewerker gaat
betuttelen.
S4 - O V E R L A T E N (delegeren)
- Overlaten of delegeren is effectief toe te passen wanneer de
manager voor de medewerker de voorwaarden kan scheppen die
nodig zijn bij het uitvoeren van de opdracht. De manager
loopt hierbij wel de kans te vervallen in een
niet-effectieve laissez-faire stijl.
- Deze stijl staat ook
bekend als management by exception.
|
|
|
 |
|
|
|
|
Effectieve
stijlen |
|
|
 |
|
|
Om
effectief leiding te geven moet men de stijl van
leidinggeven afstemmen op de medewerker - een beginner stuur
je anders aan dan een ervaren kracht. Die begeleiding kan
bestaan uit instructie, maar ook uit motivatie als de
medewerker niet direct de zin van de taak inziet.
Binnen
het model van situationeel leiderschap wordt per taak
bekeken hoe men een medewerker het meest effectief kan
aansturen. Afhankelijk van de bekwaamheid en de bereidheid
van de medewerker.
- De bekwaamheid (skill) van een
medewerker gaat over de mate waarin de medewerker de taak
beheerst: beschikt de medewerker over de juiste
competenties? Is iemand in staat om de taak te doen?
- De
bereidheid (will) van een medewerker heeft vaak te maken met
de motivatie van een medewerker. Veel zaken kunnen de
betrokkenheid of bereidheid in de weg staan. Ook onzekerheid
kan een rol spelen.
Zetten we deze bereidheid en
bekwaamheid tegen elkaar af dan ontstaat de bekende
will-skill matrix. |
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
Welke
leiderschapsstijl is nu het meest effectief bij welk type
medewerker? De uitgangspunten zijn eenvoudig: een ervaren
medewerker (skill) heeft geen taakgerichte aansturing nodig,
een gemotiveerde medewerker (will) geen nadrukkelijk
mensgerichte aansturing. We zien de volgende verbanden: |
|
|
|
|
|
 |
|
De stijl
instrueren (S1) is effectief wanneer de medewerker niet of
nauwelijks bekwaam en niet of nauwelijks bereid (of
onzeker) is. Overleggen (S2) is effectief wanneer de
medewerker bekwaam is maar weinig bereidheid of
zelfvertrouwen heeft. Ondersteunen (S3) werkt het best bij
medewerkers die niet bekwaam maar wel gemotiveerd zijn,
terwijl overlaten (S4) het best werkt bij -professionals-
die zowel bekwaam als bereid zijn. Zie verder ook een meer
getedailleerde uitwerking op
2reflect. |
|
|
 |
|
|
|
|
Meer leiderschapstyperingen |
|
|
 |
|
|
Naast het
situationeel leiderschapsmodel zijn er meer typeringen van
leiderschapsstijlen. Zo heeft Wilson een soortgelijke
indeling gemaakt waarbij hij onderscheid maakt tussen de
mate van assertiviteit en de mens- dan wel taakgerichtheid.
Hieruit zijn vier stijlen af te leiden: |
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
- Analyticus -
Voorzichtig, nauwgezet, taakgericht en systematisch. Maar
ook: besluiteloos, betweter, onpersoonlijk en
bureaucratisch. De systeemspecialist.
- Aanjager
('driver') - Resultaatgericht, eerlijk en pragmatisch. Maar
ook: slechte samenwerker, onpersoonlijk, kortaf en
kortzichtig. De 'control' specialist (Bush als president).
- Vriendelijk ('aimable') - Diplomatiek, betrouwbaar,
ondersteunend en mensgericht. Maar ook: mijden van
conflicten, afhankelijk, toegeeflijk en minder daadkrachtig.
De 'support' specialist.
- Expressief - Duidelijkheid,
snelle betrokkenheid, visionair en gevoel voor humor. Maar
ook: slecht luisteren, ongeduldig, niet praktisch en snel
afgeleid. De 'social' specialist (Clinton als president).
|
|
|
Een ordeningsperspectief: Big Five
In de ogenschijnlijke 'jungle' van leiderschapsmodellen
is enige ordening aan te brengen door te kijken naar het
accent dat gelegd wordt op een per-soonlijkheidskenmerken
van de leider. Met behulp van het
Big Five persoonlijkheidsmodel zien we het volgende
patroon. Het model van Quinn relateert extraversie
(gerichtheid op de buitenwereld) en openheid voor
nieuwe ontwikkelingen (gerichtheid op het nieuwe). Hersey
benadrukt via het situationeel leiderschap de kenmerken
altruïsme (gerichtheid op de ander, mensgerichtheid) en
con-sciëntieusheid (gerichtheid op het resultaat,
taakgerichtheid). Het model van Wilson combineert
taak/mensge-richtheid met assertiviteit/coöperativiteit
(een ondereigenschap van altruïsme). In het overzicht zijn
tevens de invloeds- en conflictstijlen (Thomas-Kilmann)
geplaatst die
hier beschreven worden. |
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
Risico en feedback
Een heel andere indeling zien we bij Deal en Kennedy (zie
ook de Caluwé et al., 2002). Op grond van de grootte van het
risico dat wordt genomen en de snelheid van feedback op
acties onderscheidt Deal vier leiderschapsstijlen: |
|
|
|
|
|
 |
|
- De tough-guy,
macho-stijl is er één van managers die vaak grote risico's
nemen en snel feedback krijgen over hun beslissingen.
Voorbeelden zijn politiecommissarissen, filmregisseurs en
voetbaltrainers.
- Plezier in het werk en actie staan in
de work hard, play hard-stijl centraal. Managers nemen
permanent vele kleine beslissingen die elk weinig risico met
zich meebrengen. Voorbeelden zijn: projectleiders,
hotelmanagers en bedrijfsleiders van grote warenhuizen.
- De bet your company-stijl wordt gekenmerkt door het
regelmatig nemen van 'levensgevaarlijke' beslissingen met
een lange feedbacktijd. Voorbeelden zijn managers van
ruimtevaartprogramma's, managers van olieboringen en
directeuren van verzekeringsmaatschappijen.
- In de process-stijl krijgen managers geen of weinig feedback over
de ondernomen acties. Managers met deze stijl concentreren
zich voornamelijk op 'hoe' iets gedaan wordt gedaan: 'wat'
er wordt gedaan lijkt minder belangrijk. Voorbeelden zijn
directeuren van grote ambtelijke en politieke apparaten.
|
|
|
 |
|
|
|
|
Leiderschap
in meer detail |
|
|
 |
|
| |
|
|
|
 |
|